Deze pagina wordt niet meer onderhouden. Ga naar https://www.kgv.nl/ voor een actuele versie
This page is no longer maintained. Go to https://www.kgv.nl for a more up to date version
ruud habets (overleg) 3 dec 2016 13:25 (UTC)

Domaniale Mijn

Ga naar: navigatie, zoeken

Algemeen

In de volksmond staat de mijn ook wel bekend als de Hollendsje Koel omdat het de eerste mijn in deze omgeving is die geen duitse of lokale eigenaars heeft. Zij wordt op 19 april 1808 opgericht om de mijnvelden onder de huidige wijk Bleyerheide te ontginnen. Op een landkaart uit 1938, schaal 1:50.000 die bijgeleverd is bij het boekwerk Kerkrade evacueert staat de mijn aangegeven als de oudste mijn van Europa. De Domaniale Mijnstraat is naar haar genoemd. In 1969 wordt de mijn gesloten en in 1971 wordt het laatste gebouw gesloopt. Het mijnterrein blijft daarna jarenlang braak liggen.

Directeuren

Geschiedenis

De Domaniale Mijn bezoekt voor het eerst met haar producten de eerste Nationale Tentoonstelling voor Nijverheid in Utrecht op 19 april 1808.

19e Eeuw

1815

Op 5 april 1815 worden door het Congres van Wenen nieuwe grenzen bepaald. Kerkrade en 's-Hertogenrade, eeuwenlang een gebied, worden gescheiden, waarbij de Worm grotendeels als grens dient. 173 Hectaren van de Domaniale Mijn liggen dan plotsklaps onder duitse grond. In 1815 wordt de mijn eigendom van de Nederlandse Staat. Het Grenstractaat van 1816 bepaalt echter dat de oude concessies geldig blijven. Dit heeft voordelen maar ook nadelen. Voordeel is dat de 173 hectaren ontgonnen mogen worden zonder interferentie van de duitse regering, nadeel is dat over de gewonnen kolen nederlandse ondernemersbelasting betaald moet worden (fl 0,50 per ton). In 1826 legt de Staat een nieuwe schacht aan langs de Nieuwstraat. Twee jaar later wordt daar de eerste stoompomp en stoomophaalmachine ge-installeerd. Zij houden het uit tot in 1880.

1839

De Domaniale Mijn komt tijdens de Afscheidingsoorlog in handen van een pro-Belgische beweging om uiteindelijk in 1839 definitief 'staats' te worden. De 'Hollendsje Koel', zoals de lokale benaming luidt, is dan echter geen winstgevende onderneming. De lonen in Nederland zijn lager en de sociale voorzieningen zijn dan in Duitsland veel beter. Veel mijnwerkers verlaten daarom de mijn en zoeken werk als mijnwerker over de grens. Hierdoor ontstaat er een tekort aan arbeidskrachten.

1866

Deze situatie verslechtert wanneer Pruisen in 1866 de oorlog om Sleeswijk-Holstein voert. Veel Duitse mijnwerkers verlaten dan de Domaniale Mijn om in militaire dienst te gaan. Eerder nog, in 1845, op 19 juni wordt het beheer over de Domaniale Mijn voor 99 jaar aan de Aken-Maastrichtse Spoorwegmaatschappij verhuurd. Het exploiteren van de mijn is voor de spoorwegmaatschappij slechts een bijzaak: De eerste limburgse spoorlijn wordt door hun op 23 october 1853 in gebruik werd genomen, maar het duurt tot 1871 voordat de aansluiting met de mijn plaats vindt. Dan start het vervoer van steenkool per spoor naar Simpelveld.

1878

In 1878 heeft het gangenstelsel van de Domaniale Mijn een totale lengte tien kilometer. In 1944 loopt de huurtermijn af maar het zal nog tot 1966 duren wanneer de Nederlandse Staat, in verband met de geplande opheffing, weer het grootste aandeel in handen heeft. Op 6 januari 1892 wordt de Bergkapel opgericht

20e Eeuw

1902
Rond dit jaar stopt de mijn de steenkoolproductie op de 270 meter verdieping. Dit veroorzaakt wateroverlast voor de Neu Prick Mijn. Deze mijn wordt hierdoor in 1904 gedwongen de productie te stoppen.
1916
Op 14 oktober stort een lift naar beneden met 26 mijnwerkers. 21 Mannen raken gewond.
1920
De hulpschacht Berenbos wordt gebouwd.
1940 - 1945
Op 21 september 1944 wordt de telefooncentrale vernield door Duitse militairen die telkens na verplaatsing van hun gevechtswagen achtervolgd worden door granaatinslagen.
Het is October 1945 wanneer de Domaniale Mijn start met haar Ondergrondse Vakschool (O.V.S.). Deze ligt bij de schacht Berenbos.
1960
Het bedrijf koopt de steenkoolconcessie Neu Prick - Bleijerheide
1966
In 1966 begint met het sluiten van de Domaniale Mijn (mijnsluiting). Op dat moment kent de mijn de volgende personele bezetting:
  1. ondergronds:1595 (ambtenaren 70)
  2. bovengronds:760 (ambtenaren 160)
Hierdoor komt het totaal op 2585 werknemers waarvoor een andere daginvulling gezocht moet worden. Wanneer in 1969 definitief de productie wordt gestaakt, zijn reeds 1690 werknemers elders werkzaam, eind 1970 is dit 2100 en na 1970 bedraagt dit aantal 2410. Van het resterende aantal (175) is hun nieuwe werkgever niet bekend. Het aantal van 2410 is over de volgende categorien verdeeld:
  1. Pensioen 340
  2. Overbrugging 310
  3. NV Industriebouw Kerkrade 430
  4. Externe plaatsing 945
  5. Andere mijnen 225
  6. Z.O.L. bedrijven 160
1970
In dit jaar bereikt de schacht Willem II aan de Nieuwstraat haar diepste punt op 802 meter NAP.

Sluiting

Het doek begint te vallen wanneer eind augustus 1969 de laatste Steenkool naar boven wordt gehaald en het valt definitief wanneer op 19 juni 1971 de schachtbok tegen de grond gaat.

Omgekomen ondergrondse mijnwerkers

Onderstaande lijst is overgenomen van de inscripties in de herdenkingskapel naast de Wilhelminaberg in Landgraaf.

1850 - 1899

Lennertz C.J.(1852), Rutten L.(1852), Gorissen(1852), Ploum W.(1852), Korver J.J.(1855), Vreuls K.(1859), Krings H.J.(1865), Mijnes P.J.(1873), Kochen J.(1875), Klooth J.J.(1891), Ploum A.J.(1897), Debetz L.(1898).

1900 - 1949

Savelsberg A.(1900), Küppers J.J.(1900), Souren H.(1903), Reulen W.(1904), Vinders M.(1905), Wersch, J. van(1906), Janssen W.(1906), Laven J.J.(1907), Kluters P.J.(1908), Schmitz W.(1908), Velraeds N.J.(1909), Offermans J.J.(1910), Everts J.J.(1910), Moonen J.(1912), Schlösser H.J.(1912), Niessen M.(1912), Küppers F.(1913), Nicol A.(1913), Dovern P.J.(1914), Rüland H.(1914), Göbbels L.J.(1914), Beckers P.J.(1915), Schols J.H.(1915), Lèthen J.(1915), Augenbroe H.J.(1915), Bordewin S.(1915), Huismann K.(1916), Claessen J.(1916), Koussen J.J.(1916), Gurdowsky F.(1917), Hensgens H.J.(1917), Derix N.J.(1917), Wiellem E.F.(1917), Fischer J.(1917), Pelzer J.H.H.J.(1918), Ossis A.(1918), Renierkens J.J.(1918), Dauven H.(1918), Smeets P.J.(1918), Bertrand W.(1918), Butello J.(1919), Degens H.(1919), Bleylevens M.(1919), Slangen W.(1919), Meijer J.(1919), Beckers J.(1919), Amkreutz F.(1919), Kaasjager J.(1919), Müller H.(1919), Habets N.J.(1919), Thoma J.(1920), Duysings J.M.(1920), Reulen L.(1920), Amkreutz P.(1920), Esser G.(1921), Peeters Chr.(1921), Ratajczak(1921), Weling J.J.(1921), Wersch, P.H. van(1921), Ploem L.J.(1922), Heijden, C. van der(1922), Scheppers H.(1922), Geutjes Th. A.(1923), Gilessen H.(1923), Esser J.(1923), Schulz W.F.J.(1924), Smitz M.(1924), Cap A.(1925), Hamers J.(1925), Deurenberg C.L.(1925), Göttgens(1926), Zehnhoff, J. am(1927), Wiegers A.(1927), Vleugels L.(1927), Lenzen N.J.(1928), Mikolajczek P.(1929), Tiemann H.(1929), Mullen, A. van der(1929), Wijnen M.J.(1930), Sonnenschein F.L.(1930), Mathissen J.(1930), Paffen P.J.(1931), Ginghello M.(1932), Jedamzik K.(1934), Albert A.R.(1934), Paffen J.(1934), Laarhoven J.(1935), Arkenbosch H.J.(1936), Körver E.(1937), Arkenbosch F.(1937), Steins A.(1937), Velraeds J.J.(1938), Slijper J.(1938), Jonkerman A.J.(1938), Kelleter L.(1939), Frederiks A.J.(1940), Krewinkel J.(1940), Moonen C.J.(1940), Wijnands J.P.(1941), Geurtzen H.(1941), Crombach C.(1941), Evertz W.(1941), Jongen J.L.H.(1942), Zemlak J.J.(1943), Thomas H.(1943), Klüten J.J.(1943), Krewinkel P.(1943), Ploum Fr.(1944), Gelekerken L.(1944), Blezer(1946), Wetzelaar P.J.(1948), Olischlager H.(1948), Schetgens J.V.(1948), Reynierkens P.L.(1949).

1950 - 1999

Dirix J.(1951), Hout, J.G. van(1951), Stevens F.X.(1954), Jongen P.(1955), Kloth K.H.(1955), Ruyters P.M.J.(1956), Klinkenberg J.A.(1958), Gillissen J.H.(1960), Boom, L.F.J. van den(1966), Heijden, J. van der(1968).

Productie

Men werkt met twaalf stoomketels en zeven stoommachines, waarvan een op 250 meter diepte voor het oppompen van water zorgt. Een personeelsbezetting van 250 arbeiders zorgt voor een jaarproduktie van 40.000 ton. Ter vergelijking: in 1860 zorgen 150 arbeiders (waarvan 100 ondergronds) voor een produktie van 23.623 ton. Men heeft op dat moment slechts een ophaalmachine en een pompwerktuig. In 1881 wordt aan de mijn grotere zelfbeschikking verleend en de rem op de produktie verdwijnt, een overeenkomst die geldt tot 31 december 1952. Pas aan het eind van de 19e eeuw is de mijn weer een renderend bedrijf.

In de periode 1815 - 1969 is met 6 schachten, 37.990.000 ton steenkool geproduceerd. De diepste schacht is 802 meter.

Bedrijfsvoering

Voor het opluisteren van feestelijke gelegenheden op de mijn beschikt deze over een muziekkorps, de Bergkapel.

Afbeeldingen

Verder